Onze taal bepaalt?

We hebben allemaal weleens de ervaring gehad dat we iets zien, horen, proeven, ruiken of voelen en daardoor geraakt worden. En in ons enthousiasme willen we dat delen of iemand vraagt ons dat te doen. Terwijl we het proberen te verwoorden, ervaren we echter dat het niet mogelijk is om het over te brengen zoals we het ervaren hebben. We doen de eigenlijke ervaring geweld aan. De ander begrijpt vaak zelfs niet eens waarom wij zo geraakt waren. Onbegrip ontstaat. Vaak devalueren we de ervaring met terugwerkende kracht en vinden we deze zelf niet zo bijzonder meer.

bananen

In het eerste jaar van mijn communicatieopleiding vertelde een docente over een experiment waarbij een man uit een zogenaamd primitieve gemeenschap ergens in de jungle, op een dag was meegenomen naar de westerse wereld. Hij was met een auto en een vliegtuig naar New York gebracht. Daar liep hij tussen de wolkenkrabbers en de vele gele taxi’s, langs verschillende winkels – vooral luxe artikelen waren in de etalages uitgestald. De man zag natuurlijk allemaal dingen die hij nooit eerder had gezien. Het moet een cultuurschock van de hoogste klasse zijn geweest. Daarna werd hij teruggebracht naar zijn stam in de jungle en daar werd hem gevraagd wat hij allemaal had gezien. Zijn antwoord was: “Bananen.” De man had voor geen van de dingen die hij zag, woorden kunnen vinden. Behalve voor de bananen die ergens in een etalage hadden gelegen. Het was ook niet zo dat er nog allemaal vormen en objecten in zijn herinnering zaten die hij probeerde te omschrijven; hij had alles door zijn eigen referentiekader gefilterd en daar was niets doorheen gekomen, behalve de bananen.

Bovenstaande voorbeelden illustreren de kracht van onze taal. Als wij ergens de woorden niet voor hebben, verdwijnt het uit ons systeem, alsof het niet bestaat. Andersom zullen wij die dingen waar we juist wel woorden voor kennen, onthouden en overdragen aan anderen. Waarnemen doen we niet alleen met onze zintuigen, maar ook – of vooral – met de mentale processen die daarop volgen. We kijken of we de zintuiglijke waarneming kunnen inpassen in wat we al weten of kennen – we passen de waarneming in of we verwerpen hem.

babel

Zo creëren wij ons wereldbeeld, of sterker: zo creëren we onze wereld. Daarom zijn er doemdenkers en optimisten, zo ontstaat sociale cohesie: we praten met elkaar over wat we waarnemen en omdat we daarbij woorden gebruiken, bouwen we vergelijkbare referentiekaders op. Veranderingen gaan langzaam – zolang je geen weerklank vindt voor nieuwe inzichten (in je eigen referentiekader of in de omgang met anderen), is het een hele opgave om deze niet te verwerpen.

Nu ben ik me al enige tijd aan het verdiepen in de Oosterse wijsheden, met name het boeddhisme, waarbij ik ook aanloop tegen dingen die ik niet kan plaatsen. Die ik daarom maar laat gaan, vergeet of opsla in een stukje van mijn brein genaamd: “Scepsis”. Zo ook de vaste overtuiging die in al die Oosterse filosofieën als geheel vanzelfsprekend mee resoneert, dat het ‘ik’, het ‘ego’ of het ‘zelf’ niet bestaat. Er is iets in mij dat dit niet wil verwerpen, omdat het smaakt naar echtheid, maar tot nu toe kon ik er heel weinig mee.

lezen-onbegrip

Tot vandaag. Ik was aan het lezen in het boek “Boeddha in lichaam en geest”, van Thich Nhat Hanh. Daarin las ik het volgende (citaat):

Zonder mentale formaties* kan er geen bewustzijn zijn. Het is als wanneer we praten over vogels die in formatie vliegen. De formatie houdt de vogels samen, en prachtig vliegen ze door de lucht. Er is niemand nodig die de vogels vasthoudt om hen in één formatie te doen vliegen. Er is geen zelf nodig om de formatie tot stand te brengen. De vogels doen dat gewoon. In een bijenkorf is er niemand nodig die aan deze bij de opdracht geeft om linksaf te slaan, en aan die om rechtsaf te slaan. Ze communiceren gewoon met elkaar en zijn een bijenkorf. In het bijenvolk mag elke bij een andere verantwoordelijkheid hebben, maar geen enkele bij maakt er aanspraak op de baas van alle bijen te zijn, zelfs de koningin niet. De koningin is niet de baas. Haar taak is heel eenvoudig het leggen van eitjes. Als je een goede gemeenschap hebt, een goede sangha, lijkt die op een bijenkorf waarin alle delen het geheel vormen, zonder leider, zonder baas.

Als we zeggen dat het regent, bedoelen we dat er regenen plaatsvindt. Je hebt niemand nodig die het daarboven laat regenen. Het is niet zo dat er regen is, en daarnaast nog iemand die er voor zorgt dat die regen neerdaalt. Wanneer je zegt dat de regen neerdaalt, is dat eigenlijk erg komisch, want als hij niet neerdaalde, zou het geen regen zijn. Binnen onze manier van spreken zijn we gewend om een onderwerp en een werkwoord te hebben. Daarom hebben we het woord ‘het’ nodig wanneer we ‘het regent’ zeggen. ‘Het’ is het onderwerp, datgene wat de regen mogelijk maakt. Maar als we iets beter kijken, hebben we helemaal geen ‘regener’ nodig, we hebben alleen de regen nodig. Regenen en de regen zijn hetzelfde. De formatie vogels en de vogels zijn hetzelfde – er is geen ‘zelf’, geen baas bij betrokken.

Er is een mentale formatie die vitarka heet, ‘initieel denken’. Wanneer we in onze natuurlijke taal het werkwoord ‘denken’ gebruiken, hebben we daar een subject bij nodig: ik denk, jij denkt, hij denkt. Maar een gedachte heeft echt geen subject nodig om voortgebracht te worden. Denken zonder denker – dat is absoluut mogelijk. Denken is altijd denken aan iets. Waarnemen is altijd iets waarnemen. De waarnemer en het object wordt waargenomen, zijn één.

Met zijn stelling: “Ik denk, dus ik ben”, wilde Descartes aantonen dat als ik denk, er een ‘ík’ moet zijn om dat denken mogelijk te maken. Uitgaande van de uitspraak ‘ik denk’, meende hij het bestaan van het ‘ik’ te kunnen bewijzen. We hebben een sterke neiging om in een zelf te geloven. Maar wanneer we onszelf heel diep beschouwen, zien we in dat een gedachte geen denker nodig heeft. Achter het denken bevindt zich geen denker – er is alleen denken. Dat is voldoende.

Als Descartes hier nu aanwezig was, zouden we hem kunnen vragen: “Monsieur Descartes, u zegt: ‘U denkt, dus U bent.’ Maar wat bent u? U bent uw denken. Denken – dat is voldoende. Denken manifesteert zich zonder dat daar een achterliggend zelf voor nodig is.”

Denken zonder denker. Voelen zonder voelen. Wat is onze woede zonder ons ‘zelf’? dat is het object van onze meditatie. Alle eenenvijftig mentale formaties vinden plaats en manifesteren zich zonder een achterliggend zelf dat regelt dat dan weer dit verschijnt, en dan weer dat. Ons mentale bewustzijn heeft de neiging zichzelf te baseren op het idee van een zelf, een manas. Maar we kunnen mediteren om ons meer gewaar te worden van ons opslagbewustzijn, waar we de zaden bewaren van al die mentale formaties die zich op dit moment niet in onze geest manifesteren.

Wanneer we mediteren, oefenen we ons in diepe beschouwing teneinde licht en helderheid te brengen in onze manier van dingen zien. Wanneer het inzicht in niet-zelf bereikt is, verdwijnen onze waandenkbeelden. Dit is wat we transformatie noemen. In de boeddhistische traditie is transformatie mogelijk door diep inzicht. Op het moment dat het inzicht in geen-zelf er is, valt manas, de illusoire notie van het ‘ik ben’, uiteen, en merken we dat we in het hier en nu kunnen genieten van vrijheid en geluk.

*) Een mentale formatie is een samenspel van impulsen die o.a. uit zintuiglijke en mentale ervaring en interpretaties voortkomt. Het boeddhisme kent – afhankelijk van de traditie – rond de vijftig mentale manifestaties; woede is daar één van. E.e.a. wordt eerder in het hoofdstuk uitgelegd, waar dit citaat uit komt.

Ik snap dit. Ik begrijp de tekst en hij sluit aan bij mijn meditatie-ervaringen en bij wat ik tot nu toe heb gelezen over non-dualiteit en de illusie van het zelf. Fantastisch! Een Eureka-momentje aan de keukentafel.

Alles komt zo mooi weer bij elkaar. Ik ben communicatie gaan studeren omdat ik het zo intrigerend vond, ik heb die anekdote van die bananen altijd zo goed onthouden omdat ik voelde dat dit heel belangrijk is. Taal is essentieel. Wij Westerlingen hebben geleerd om te spreken in zinnen met een onderwerp. De Spanjaarden, Portugezen en Italianen laten dit weg. Het is voor hen niet nodig om een onderwerp te hebben. Het gebeurt gewoon, het leven gaat zijn gangetje. Lekker laid back.

We leren zelfs dat goede communicatie bestaat uit korte, actieve zinnen, waarin het onderwerp nog meer wordt benadrukt. Of eigenlijk: waarin we het onderwerp nog meer benadrukken. De passieve vorm – iets wordt gedaan – is niet goed. Het moet actief: wie doet het? Degene die acteert is belangrijk.

En dan het boeddhisme – heerlijk: eigenlijk is er vaak helemaal geen onderwerp. Wie of wat regent? Onzin! Alles dient zich aan, verschijnt en verdwijnt weer. Dat is meditatie. Niet vastklampen, geen manas.

Dit alles maakt mij heel nieuwsgierig naar de grammatica van het Chinees, Tibetaans, Nepalees, Indiaas, Vietnamees en Sanskriet. Niet zozeer de losse woorden, maar de samenhang waarin zinnen worden gemaakt. Zou daar ook het onderwerp ontbreken? Zou de zinsbouw totaal anders zijn, niet vergelijkbaar met onze grammatica? Alles in een sfeer van ‘er passeren gedachten’, ‘er zijn vogels’, etc. Hmmm …

En dan de hamvraag; bepaalt onze taal dat de transformatie in het citaat van Thich Nhat Hanh, voor onze Westerlingen een vrijwel onmogelijke opgave is, omdat onze taal ons altijd weer terugtrekt in de massa, in ons referentiekader, in de sociale code, in ons gevestigde wereldbeeld? Wordt de manas – de illusie van een ‘zelf’ – in stand gehouden en versterkt door onze taal?

Liefs,
Esther

manas

Facebooktwitterlinkedinmail